Op 5 september is
de Basiliek van de H. Liduina na een ingrijpende restauratie van bijna
vijf jaar feestelijk ingewijd. De Liduina-basiliek, een neo-gotische
kruis-basiliek daterend uit 1879-'81, is kenmerkend voor het oeuvre
van de architect E.J. Margry uit wiens atelier (Snickers en Margry)
ook het interieur afkomstig is. Van buiten oogt de kerk sober. De bakstenen
gevels worden afgewisseld met verschillende soorten natuursteen, waarvan
de spuwers en kruisbloemen het meest decoratief zijn. Het interieur
met een nagenoeg volledig bewaard gebleven neo-gotische inventaris,
is des te uitbundiger. De gemetselde wanden en gewelven zijn beschilderd
met florale motieven. De natuurstenen kruisribben rusten op marmeren
zuilen, afgewisseld met bundelpijlers ter plaatse van de viering. De
gebrandschilderde ramen met motieven die verband houden met het Nieuwe
Testament en het leven van Maria en Liduina komen uit het atelier van
Capronnier (Brussel) en Chamini (Hasselt).
Steeds meer scheuren
In 1988 was de bouwkundige staat van de kerk dusdanig slecht dat opdracht
werd gegeven tot het maken van een restauratieplan. De muren en gewelven
vertoonden scheurvorming en ook het natuursteenwerk was slecht. Delen
van de venstertracering van Savonnières (kalksteensoort) kwamen los.
In de kerk moest een net worden opgehangen om nog diensten te kunnen
houden en
moest
het grote roosvenster worden uitgenomen. Scheuren in de natuurstenen
gewelfribben noodzaakten de gemeente in 1993 delen van de kerk zelfs
buiten gebruik te stellen. Vanaf 1988 werd getracht via verschillende
subsidieregelingen de restauratie van de kerk mogelijk te maken, maar
zonder succes. De moed werd niet opgegeven en het naar beneden vallende
gesteente leverde voldoende materiaal voor pastoor en parochiebestuur
om daarmee de nood van de kerk onder de aandacht te brengen van de minister
en de rijksbouwmeester. In de tussentijd had het gemeentebestuur een
grootschalig nieuwbouwproject laten ontwikkelen aan de voet van de kerk.
Een plan dat veel van zijn allure zou missen indien de kerk niet meer
zou bestaan. De werkgelegenheid die met de uitvoering van zowel nieuwbouw
als restauratie was gemoeid, was voor het ministerie van Binnenlandse
Zaken reden om in het kader van de werkgelegenheidsimpuls 1994 gelden
beschikbaar te stellen voor de restauratie van de kerk (zie foto op
omslag). Daarna kwamen ook bijdragen beschikbaar van het ministerie
van OCenW, de gemeente, het bisdom en de provincie.
Eindelijk
restaureren
Het slaan van de eerste nieuwe paal op 19 september 1994 was de start
van de restauratie. De kerk was op houten palen gefundeerd. Deze was
gedeeltelijk droog komen te staan waardoor het funderingshout was aangetast.
Gezien de omvang van het rottingsproces gerelateerd aan het zakkingsverloop
kon dit niet de hoofdoorzaak zijn. In de 19de eeuw had men nog geen
mogelijkheid om een onderzoek naar de draagkracht van de grond uit te
voeren. Uit het originele bestek bleek dat dennenhouten palen van 11
meter lengte werden gebruikt, terwijl van sonderingen in de buurt bekend
is dat het verloop van de vaste laag zeer grillig is en soms meer dan
20 meter diep ligt. Het funderingsprobleem was dus hoofdzakelijk te
wijten aan het zakken van de houten paalfundering. Om de kerk te behouden
moest deze opnieuw worden gefundeerd. In totaal vervangen 312 stalen
buispalen de 960 oude houten palen. Kritiek werd het funderingsherstel
toen bij het zuidertransept de stalen buispalen problemen met de bestaande
fundering veroorzaakten waardoor voor een ander paalsysteem moest worden
gekozen. Nadat het funderingsherstel gereed was, kon in augustus 1996
met de restauratie van de kerk zelf worden begonnen, zoals het inboeten
van de scheuren in de gewelven en muren en het herstellen van de glas-in-lood
vensters. Helaas hadden roestende brugstaven de traceringen van koor
en schip dusdanig aangetast dat deze over de hele hoogte waren gescheurd
en in hun geheel moesten worden vervangen. Reeds voor de restauratie
waren de vele muur- en gewelfschilderingen indrukwekkend, maar tijdens
de restauratie bleek dat deze oorspronkelijk nog veel uitbundiger waren
en waarschijnlijk om reden van onderhoud gedeeltelijk waren overgeschilderd.
Nu de glas-in-lood vensters en de schilderingen ontdaan zijn van het
roet en stof van de afgelopen eeuw en gerestaureerd zijn, is het interieur
van de kerk een lust voor het oog. Hiertoe draagt ook de nieuwe tegelvloer
bij die een latere vloer van Solnhofer steen vervangt. Resten van de
oorspronkelijke vloer zijn nog in de doopkapel aanwezig. Omdat het interieur
van de kerk op de vloer na nog nagenoeg intact is, was een reconstructie
van de oude vloer voor de hand liggend. In Engeland bleken nog vergelijkbare
tegels te worden geproduceerd. Het interieur is echter ook aangepast
aan het veranderde gebruik. In aansluiting op het bestaande hoogaltaar
is een nieuw liturgisch centrum gecreëerd. In de doopkapel heeft de
verering van de H. Liduina een speciale plek gekregen en hier staat
ook de uit de St. Janskerk afkomstige gotische grafzerk. De VVV heeft
inmiddels een Liduina- dagtocht opgezet langs alle plekken in Schiedam
die een rol hebben gespeeld in het leven van Liduina. Hierin zijn zowel
de Grote of St. Janskerk als de Liduina-basiliek opgenomen.
Gregoriaans ,Requiems,Missen,Motetten, ofwel authentieke 4-stemmige
koorzang